Sliedrecht

 

SLIEDRECHT TOEN EN NU

In de eerste eeuwen van onze jaartelling bestond Sliedrecht nog niet. De Alblasserwaard leek wel een beetje op de huidige Biesbosch.

De nederzetting Sliedrecht ontstond op moerasachtige gronden op de zuid-oever van de Merwede. Het gebied overstroomde dagelijks, zodat de landerijen met een vruchtbare laag slib overdekt werden. Het water dwong de eerste bewoners echter naar de noordelijke oever te verhuizen.

De vaak voorkomende overstromingen vormden een beletsel voor de landbouw en veeteelt bij dorpskernen en vormden bovendien een te groot gevaar. Iedere gebruiker van een stuk land kreeg in de nieuwe nederzetting de verplichting een stuk dijk aan te leggen, een dijkvak, dat hij moest onderhouden. Uit een giftbrief van Floris V, april 1277, blijkt dat de bedijking toen al bestond. Het Sliedrecht van nu, toen nog gewoon buitenland, kwam op deze wijze omstreeks 1277 binnen de "Hooge-Dijck" te liggen.

Nieuwe overstromingen volgden in 1709, 1726, 1740, 1809 en 1825. Het waren lessen in waterbouwkunde. In de 16e en 17e eeuw kwamen de meeste aannemers uit de steden. Er werd veel met lieden 'uit Slydrecht of daeromtrent' gewerkt. In Sliedrecht zelf kon slechts een enkeling de financiering aan en het risico van grote werken dekken. Alleen op kleinere werken durfde men zelfstandig te zijn. Het was een gebruik het benodigde geld alleen bij plaatsgenoten te lenen.

Dit bleek van groot belang. Kapitaal en rente bleven hierdoor in hetzelfde dorp en men werd steeds minder afhankelijk van geldschieters in de steden. In de 18e eeuw groeide de Sliedrechtse aanemerij gestadig en woonden er heel wat 'aenemers van publyk besteedde wercken' in het dorp. Zij vormden het voorgeslacht van veel in Nederland gevestigde baggerbedrijven. De werktuigen waren eenvoudig en gering in aantal. Het waren hoofdzakelijk spaden, kruiwagens, vlet en baggerbeugel. In 1762 werkte een toen al oud baggervaartuig in het Nieuwe Diep bij Den Helder. Het was de zgn. Krabbelaar. In Amsterdam werden moddermolens gezien.

De Sliedrechtenaren hoorden en zagen veel van baggeren, maar het bleef bij het werken met de beugel, want alleen de overheid werkte met molens. De plaatselijke meesters van bedijkings-, vestings-, rivier- en onderhoudswerken van grachten dachten dat zij ook zonder beugel konden baggeren en ook nog goedkoper. Toch duurde het nog tot 1818 voor zij met een paardenmolen begonnen. Het accent bleef nog lang op rijs- en oeverwerken liggen. Deze kennis werd in 1833 naar Belgie, in 1849 naar Rusland en in 1885 naar China uitgedragen.