Rotterdam is ontstaan in de tweede helft van de 13de eeuw uit de vereniging ven enige bedijkingen in de delta van de rivier de Rotte. Een belangrijke rol in de aanvang speelden de geslachten Van Voorschoten en Bokel, die door de graaf van Holland met ambachten aldaar waren beleend en toestemming hadden gekregen aangeslibd land in te polderen. De Bokels werden in 1296 van hun lenen, die ten westen van de Rotte lagen, vervallen verklaard wegens hun medeplichtigheid aan de moord op graaf Floris V. Ook de Van Voorschotens raakten hun lenen (ten oosten van de Rotte) in deze periode kwijt. In 1299 verleende graaf Jan I de bewoners van Rotterdam, vnl. schippers en kooplieden, enkele rechten (bijv. tolvrijdom). In 1301 wisten de Bokels van Jan II herstel in hun lenen te verkrijgen, het oostelijk deel bleef rechtstreeks onder de graaf van Holland ressorteren. Aan dit deel verleende Willem III in 1328 enige privileges. Zijn opvolger, graaf Willem IV, verleende in 1340 aan beide delen (het westelijk deel was toen wegens het uitsterven van het geslacht Bokel in de mannelijke lijn aan de graaf van Holland vervallen) volledige stadsrechten, inclusief tolvrijdom. Bovendien gaf hij Rotterdam het recht een aftakking van de Schie te graven en aldus een verbinding tot stand te brengen met de dichtbewoonde Hollandse kuststrook met haar reeds belangrijke steden (Delft, Leiden, Haarlem) In 1358 kreeg Rotterdam het recht stadsmuren te bouwen.

Rotterdam  

                                          

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

   

 

 

 

 

 

 

 

 

De Rotterdamse haven was tot halverwege de 16de eeuw vnl. visserijhaven (haringvisserij en -handel). De toenmalige havens (Wijnhaven, Leuvehaven, Scheepmakershaven, Zalmhaven, Haringvliet, Blaak, Boerengat, Buizengat; later veelal gedempt of in gebruik gesteld voor de binnenscheepvaart) stonden in open verbinding met de rivier en waren zodanig aangelegd dat de schepen voor de koopmanshuizen konden lossen. De toegang tot de Noordzee werd destijds gevormd door het Brielse Gat en de Botlek. De val van Antwerpen (1585) stelde Rotterdam in staat tot overname van een deel van de Antwerpse stapelmarktfunctie, wat, samen met de deelname van Rotterdam in de Oost-Indische (1602) en West-Indische Compagnie (1621) het begin betekende van Rotterdam als handelshaven.